Leren bij paarden

Een paard leert op verschillende manieren, hieronder volgt een beknopte uiteenzetting:

Instinct: hoeft niet aangeleerd te worden. Aandrift tot onbewust doeltreffend handelen.

Reflexen: Onmiddelijke, onwillekeurige reactie op zenuwprikkel.

Inprenten: Voorgeprogrammeerd gedrag, alleen maar nog combi prikkel (moeder, uier).

Gevoelige periodes waarin het paard bepaalde dingen leert.

Habituatie: afleren van een reactie op een niet-relevante prikkel.

Latent leren: verband leren leggen zonder duidelijke beloning.

Sociaal leren: van elkaar leren.

Geheugen -> jong geleerd = oud gedaan. Wanneer heeft een paard wat geleerd? Als er een permanente verandering is in gedrag, na blootstelling aan dezelfde stimuli.

Klassieke en operante conditionering.

Klassiek: een voor het dier aanvankelijk betekenisloze prikkel wordt geassocieerd met een prikkel die voor het dier wel betekenis heeft.  Na een aantal herhalingen is de voorheen betekenisloze prikkel  geconditioneerd. Bij toediening van die prikkel geeft hij vervolgens dezelfde associatie als de ongeconditioneerde prikkel. Voorspelbaarheid speelt een rol.

Operant: het dier legt een associatie tussen zijn gedrag en de directe gevolgen van dat gedrag. Controleerbaarheid speelt rol.

Voorspelbaarheid en controleerbaarheid reduceert stress.

Nabijheid in tijd + herhaling = belangrijk!

Generalistatie & discriminatie: een paard kan leren te generaliseren: hetzelfde reageren op een prikkel die lijkt op de oorspronkelijke, of discrimineren: alléén op een bepaalde prikkel reageren.

Extinctie: Bij extinctie dooft gedrag uit doordat gedrag van het paard nooit meer een bepaald gevolg heeft. Hierbij moet je wel goed rekening houden met de uitdovingsweerstand! Eerst kan het gedrag erger worden omdat het paard als het ware niet kan geloven dat het gedrag niet meer een bepaald gevolg heeft. Ook kan later spontaan herstel optreden.

Extinctie is lastiger als het gedrag onregelmatig beloond is. Het paard is er dan immers al aan gewend niet altijd een beloning voor het gedrag te krijgen. Extinctie kan niet bij zelfbelonend gedrag, omdat dit gedrag op zich al wat voor het dier oplevert.

Bij zelfbelonend gedrag is niet duidelijk wat de bekrachtiger is (bezigheid + stress reductie)

Frustratie kan tot agressie leiden (bijv. neus duwen = voer. Niet meer =bijten)

Klassiek makkelijker uit te doven. Onbekend waardoor.

Let op met antropomorfisme. Dit betekent menselijke eigenschappen toeschrijven aan dieren. Een paard denkt niet zoals wij en een paard is niet zoals wij. Voorbeeld: Als wij het koud hebben, heeft het paard het dan ook koud?

Regels voor effectief belonen:

–                  Bekrachtiger onmiddellijk (binnen halve sec)

–                  In aanleerfase altijd belonen, daarna wisselend

–                  Zorgen voor zeer aantrekkelijke beloning

–                  In andere context

–                  Stapsgewijs, niet te lang

Eisen modern trainen:

–                  Geen angst of agressie opwekken

–                  Korte leerperioden

–                  Niet te veel tegelijk willen aanleren

–                  Maak gebruik van shaping

–                  Maak gebruik van de juiste bekrachtiger

–                  Verhoog eventueel de motivatie

–                  Houd rekening met aanleerfasen

Risico straffen:

–                  Timing, dosering, verhouding mens.

Motivatie van een paard voor gedrag = combinatie interne + externe factoren.

Motivationeel conflict tussen gedragssystemen (honger, ouderschap, agressie, sex, zelfverzorging, slaap, angst & exploratie) zorgt voor stress.

Resultaat: het sterkste wint (inhibitie), dier vertoont componenten van beide systemen (ambivalent gedrag), dier richt zich op een ongewoon iets (omgericht gedrag), dier doet iets heel anders, zoals weven, luchtzuigen (overspronggedrag)

Tekens van acute stress: vocalisaties, schrapen, ontlasten/urineren, staart zwiepen, hoofd schudden, snurken, Kauwen en likken (overgang sympatisch zenuwstelsel (actie) naar parasympatisch (rust))

We leren paard veel door negatieve bekrachtiging . Bijv druk halstertouw, druk been.

Houd rekening met een dubbele betekenis: bijvoorbeeld teugels + been tegelijk. Denk goed na over je precieze hulp. Wat is voor het paard de discriminant? Oftewel: wat is nu precies de prikkel waar het paard op reageert? We zeggen vaak iets en doen tegelijk iets. Waarop reageert het paard?

Als je je paard iets vraagt:

1 snapt het paard wat je wilt?

2 Komt de hulp door of is het paard niet gemotiveerd genoeg?

3 Kan het paard het gevraagde uitvoeren? (o.a. lichamelijk)

Het paard bepaalt het leerprincipe.

Als een paard ondanks een reactie van de verzorger/omgeving bepaald gedrag blijft vertonen levert dat gedrag hem dus iets aangenaams op (denk aan schoppen tegen staldeur voor aandacht en ‘foei’ roepen)

Er zijn grenzen aan het beïnvloeden van gedrag door:

–                  Ras, leeftijd, individu, geschiedenis

–                  Soorteigen gedrag

–                  Probleem: duur, ontwikkeling

–                  Rasgebonden

–                  Handigheid klant/mismatsching

–                  Mogelijkheden verandering van omstandigheden